• Bel ons:050 - 577 48 05
  • Spoed:050 - 577 48 05
Afspraak maken

Kat

Medische informatie over uw kat

Medische informatie over de kat

Op deze pagina vindt u onze medische informatie over de kat. We hebben de meest voorkomende aandoeningen en handelingen bij katten voor u op een rij gezet. Wanneer u iets mist, laat het ons dan gerust weten. 

Allergische reacties

Steeds meer katten vertonen allergische reacties op uiteenlopende stoffen. De meest voorkomende allergiën zijn vlooienallergie en voedselallergie. Regelmatig zien we dieren met een gezicht dat plots dik wordt en waarbij er plotseling overal bulten opkomen (zogenaamde type 1 allergische reactie). Als oorzaken hiervan kunt u, naast voedsel-en vlooienallergie, ook denken aan een reactie op vaccinaties, insectenbeten, stoffen in de lucht of contact met bepaalde planten. Daarnaast kunnen er ook allergische reacties op bepaalde medicatie optreden.

Symptomen

Verspreid over het hele lichaam kunnen er harde, duidelijk begrensde, bulten opkomen. Dit kan zeer snel gaan: binnen één uur kan een dier volledig onder deze bulten zitten. De bulten gaan vaak gepaard met jeuk. In ergere gevallen kunnen ook de slijmvliezen gaan zwellen. Hierbij kunt u gezwollen lippen, oogleden, wangen en poten zien. Deze zwellingen noemen we ook wel angio-oedeem. Door de erge zwelling van de slijmvliezen kunnen de luchtwegen vernauwen waardoor het dier moeilijker adem kan halen.

Diagnose

Op basis van de snelheid waarin de klachten zijn ontstaan en het uiterlijk van de bulten, kan de diagnose met grote zekerheid worden gesteld. Verdere onderzoeken zijn doorgaans niet nodig.

Behandeling

De snel opgekomen bulten verdwijnen doorgaans weer binnen enkele uren tot dagen. Toch is het raadzaam om met een allergische reactie altijd naar de dierenarts te gaan zodat deze medicatie kan toedienen om de allergische reactie te stoppen/onderdrukken. De reden hiervoor is dat de reactie kan beginnen met alleen bulten over het hele lichaam maar geleidelijk ook zwelling van de slijmvliezen met benauwdheid tot gevolg kan optreden en omdat het dier door een allergische reactie in shock kan gaan. Kortom: beter erger voorkomen dan achteraf genezen!

Castratie kater

Waarom castreren?

Er wordt door dierenartsen vaak aangeraden om uw kat te laten castreren. Dit heeft meerdere redenen.

  • Medische redenen: een ongecastreerde kater is dominanter en agressiever en beland hierdoor vaker in vechtpartijen dan gecastreerde katers. Deze vechtpartijen kunnen uitmonden in abcessen en onstekingen, maar ook kan het dier besmet raken met kattenaids (FIV) of het katten leukemie virus (FeLV). Beide ziekten zijn niet behandelbaar.
  • Gedragsmatige redenen: ongecastreerde katers gaan op zoek naar krolse poezen en kunnen hierbij zover van hun huis afdwalen dat ze de weg niet meer terug weten. Daarnaast kunnen katers gaan sproeien in huis om hun territorium af te bakenen.
  • Maatschappelijke redenen: er zijn al meer dan genoeg katten en de asielen puilen uit, door uw kater te castreren kunt u bijdragen aan het terugdringen van het zwerfkatten probleem!

Wanneer castreren?

Katten worden gemiddeld gezien op zeven maanden leeftijd seksueel actief, daarom raden wij aan om ze op zes maanden leeftijd te castreren. Wanneer uw kat toch eerder dan op zes maanden leeftijd actief wordt wordt er aangeraden om de kat eerder te laten helpen, dit omdat als u wacht tot de kat gaat sproeien castratie niet meer altijd de oplossing is! Katten leren zichzelf het sproeigedrag dan aan en in 5% van de gevallen blijven de katten na castratie sproeien omdat ze het gedrag al kennen.

Hoe gaat het in zijn werk?

  1. U maakt telefonisch een afspraak waarna u een informatiebrief en vragenlijst (over de gezondheidstoestand van de kat) thuisgestuurd krijgt.
  2. U brengt de kat (nuchter) tussen 8.30 en 9.30 uur op de dag van de afspraak. De assistente neemt hierbij de door u ingevulde vragenlijst met u door.
  3. De assistente weegt in uw bijzijn de kat en geeft deze zijn injecties pijnstilling en antibioticum.
  4. Na ongeveer een uur werkt de pijnstilling maximaal en wordt de kater door de dierenarts lichamelijk onderzocht.
  5. Als er bij het lichamelijk onderzoek geen afwijkingen worden gevonden, krijgt de kater een injectie waarvan deze in slaap valt.
  6. De testikels worden kaal gemaakt en gewassen. Via twee kleine snedes worden beide testikels verwijderd. Bij een kater worden de wondjes niet gehecht.
  7. De kat wordt in een verwarmd hokje gelegd waar hij weer wakker kan worden. 's Middags tussen 16.00 en 17.30 uur kunt u uw kat dan weer ophalen waarbij u pijnstilling meekrijgt voor de eerste dagen na de operatie.

Wordt een kater dik door de castratie?

Wanneer u direct na de castratie de voeding aanpast op de nieuwe situatie, wordt een kater niet dikker. Na de castratie stijgt de eetlust van het dier, terwijl de energiebehoefte afneemt. Blijft u als eigenaar na de castratie hetzelfde voedsel in dezelfde hoeveelheid geven? Dan zal de kat inderdaad gaan aankomen. Het is dus zaak om na de castratie ongeveer 25% minder eten te gaan geven of om over te schakelen op light-voeding, speciaal voor gecastreerde dieren.

Chippen

Wat is chippen?

Een chip, ook wel transponder genoemd, is een klein buisje van kunststof of bioglas ter grootte van een rijstkorrel. In dit buisje zit een stukje micro-electronica bestaande uit een spoel en een micorchip waarin het nummer van de chip opgeslagen zit. Wanneer een chipscanner over het dier wordt gehaald geeft deze een signaal af, waardoor de chip wordt geactiveerd en een signaal terug stuurt naar de scanner. Op de scanner verschijnt dan het chipnummer van het dier. Dit chipnummer wordt in een online databank gekoppeld aan de gegevens van de eigenaar. Op deze manier bent u als baasje binnen enkele minuten te achterhalen voor de instantie waar uw dier is gevonden. Alle asiels, dierenambulances, dierenartsen, politie en gemeentes beschikken over een chipscanner.

Waarom chippen?

Het gebeurt maar al te vaak dat huisdieren de weg kwijt raken, aangereden worden en gewond bij een dierenarts belanden, of erger. In veel gevallen is het baasje van het huisdier dan niet meer te achterhalen. Sommige katten hebben een halsbandje met adreskoker om, maar de praktijk leert dat deze adreskokers vaak stuk gaan of het briefje er in niet meer leesbaar is. Veel beter is het om het huisdier te laten chippen. 

Daarnaast is het ook verplicht om uw huisdier te laten chippen zodra u de grens over wilt met het dier. Deze verplichting is er om illegale huisdieren handel tegen te gaan en om verspreiding van dierziekten tegen te gaan. Door een chip kunnen de instanties in alle landen controleren of het paspoort met de daarin staande vaccinaties ook daadwerkelijk hoort bij het dier.

Voordelen

  • Een chip is diervriendelijk en gemakkelijk af te lezen
  • Een chip gaat vrijwel altijd een dierenleven lang mee
  • Uw dier voelt de chip niet, enkel het inbrengen kan even pijnlijk zijn.
  • Een chip is fraudebestendig.
  • Het dier kan een chip niet verliezen omdat deze onder de huid zit.
  • Ook jonge dieren kunnen worden gechipt.

Nadelen

  • In sommige gevallen kan een chip zich gaan verplaatsen in het lichaam waardoor deze lastiger te vinden kan zijn.
  • Het is van buitenaf niet te zien dat een dier gechipt is en er is een speciaal afleesapparaat nodig om achter het chipnummer te komen.

Chronische nierinsufficiëntie

Chronische nierinsufficiëntie (CNI) of kortweg nierfalen, is een van de meest voorkomende ziektes bij oudere katten. Het aantal katten dat CNI krijgt neemt steeds verder toe. Kreeg enkele jaren geleden 15% van de katten ouder dan acht jaar nierproblemen, op dit moment is dat percentage al opgelopen naar 25 - 30%. Dit betekent dus al een kans van een op vier dat een kat nierproblemen krijgt!

Nierfalen bij de kat staat in de samenleving en op internetfora bekend als een ernstige ziekte waar katten snel dood aan gaan. Dit is echter maar gedeeltelijk waar. Nierproblemen zijn zeer goed te ondersteunen met minimale middelen (zoals enkel andere voeding geven) mits het op tijd wordt opgemerkt. En hierin schuilt het grootste probleem: de meeste eigenaren merken pas in een zeer laat stadium dat er iets mis is met de kat.

Wat is CNI?

Wanneer we het over de nier hebben moet u dit orgaan zien als niets anders dan duizenden piepkleine filtertjes: filtertjes waar het bloed doorheen stroomt en waar overtollige afvalstoffen, zouten en vocht uit worden gefilterd. Bij CNI vallen deze filters één voor één uit. In het begin is dit geen groot probleem want de nieren hebben een grote reservecapaciteit van 50%. 

Maar wanneer er meer dan 50% van de filters stuk is, ontstaan er problemen. De nieren zijn dan niet meer voldoende in staat om in dezelfde hoeveelheid urine alle afvalstoffen kwijt te kunnen: de nieren kunnen de urine niet meer goed concentreren. Het lichaam gaat dit oplossen door meer te gaan drinken, want als er meer vocht is, is er meer urine. Vergelijkt u dit met een kopje thee waar u suiker in schept, op een gegeven moment zit er zoveel suiker in de thee dat dit niet meer oplost en op de bodem van het glas valt. Door simpelweg meer thee in het kopje te gieten, kan er meer suiker oplossen. De nieren werken volgens ditzelfde principe. 

Door meer te gaan drinken wordt de functie van de nieren in stand gehouden, maar de keerzijde van deze compensatie is, dat de filters die niet stuk zijn nóg harder moeten werken, waardoor zij ook weer eerder kapot gaan en de nierfunctie dus steeds sneller achteruit gaat.

Op een bepaald punt kan het dier niet nóg meer gaan drinken. Vanaf dit punt kan het lichaam zijn eigen gebrek niet meer compenseren en gaan de afvalstoffen zich ophopen in het bloed. Nu wordt de hond echt doodziek: hij/zij gaat braken, wil niet meer eten, wordt suffer, gaat vermageren, verzorgt zichzelf niet meer en gaat uit de bek stinken. Helaas zien wij de hond in onze kliniek vaak pas in dit stadium van de problemen.

Hoe CNI nu exact begint is vaak onduidelijk. In 95% van de gevallen is er geen andere oorzaak te achterhalen dan erfelijkheid.

Symptomen

In het beginstadium zien we als eerste symptoom dat de kat geleidelijk aan steeds meer gaat drinken (en dus ook plassen). De klachten zullen zich langzaam gaan uitbreiden met minder eetlust, sufheid, gewichtsverlies, braken en diarree. Verder zal de kwaliteit van de vacht achteruit gaan, kan de kat uit de bek gaan stinken en kan de conditie achteruitgaan doordat er bloedarmoede ontstaat. Maar, niet bij elk dier zijn alle klachten aanwezig. En de ernst van de klachten is niet altijd evenredig met de graad van het probleem.

Diagnose

Op basis van de klachten waarmee een kat bij ons komt is de verwachting dat het om een nierprobleem gaat vaak al snel geschapen. Wanneer wij de kat onderzoeken kunnen we tekenen van bloedarmoede vinden en naar de nieren voelen, deze zijn bij CNI vaak verkleind en onregelmatig. Dit alles maakt de diagnose van CNI waarschijnlijk, maar bevestigt deze niet. 

Om de diagnose te bevestigen is er een bloedonderzoek nodig. In dit bloedonderzoek kijken we naar de nierwaarden (creatinine en ureum), bij een nierprobleem zullen deze verhoogd zijn. Daarnaast kijken we naar de zoutgehaltes (met name het fosfor gehalte) omdat deze ook vaak verstoord raakt bij nierfalen. En tot slot kan er worden gekeken of er bloedarmoede aanwezig is.

Daarnaast is er een urineonderzoek nodig om na te gaan hoe geconcentreerd de urine is. Is de urine goed geconcentreerd, maar zijn de nierwaarden wel verhoogd, dan weten we dat we met een ander probleem dan CNI te maken hebben 

Behandeling

CNI is een aandoening die op den duur tot het overlijden van de kat zal leiden, want we kunnen het aftakelingsproces van de nieren niet stoppen of ongedaan maken. Wat we wel kunnen doen is dit proces sterk vertragen. Het is echter afhankelijk van het stadium waarin de diagnose wordt gesteld, hoe de behandeling er uiteindelijk uit gaat zien. Wanneer de problemen in een vroeg stadium worden opgemerkt, wanneer de kat alleen nog maar meer drinkt en plast en verder nog geen klachten heeft, is enkel andere voeding vaak al voldoende!

Er zijn speciale dieetvoeders op de markt om de nieren te ondersteunen. Het grootste probleem bij nierfalen is de opstapeling van ureum in het bloed. Dit stofje werkt namelijk misselijkmakend en is hierdoor de oorzaak van het “ziek worden” van de kat. Ureum is een afvalproduct wat ontstaat bij de verwerking van eiwitten. Door dus een voeding te geven met weinig eiwit, ontstaat er minder ureum en zullen de klachten verminderen. Daarnaast is een laag gehalte aan fosfor in de voeding van belang. Dit om de zoutgehaltes van fosfor en calcium in het bloed stabiel te houden. In een later stadium van de ziekte kan het nodig zijn om medicatie bij te gaan geven die ervoor zorgt dat de nieren efficiënter werken.

Prognose

Zoals aangegeven kunnen we de aftakeling van de nieren niet stoppen of ongedaan maken. Op langere termijn zullen de nierproblemen dan ook tot het overlijden van het dier leiden. Wanneer u een goed nierdieet geeft kan de overlevingsduur van uw kat echter met een factor drie worden verlengd in vergelijking met normale voeding! 

In het algemeen geldt: hoe vroeger de nierproblemen worden opgemerkt, hoe langer de levensverwachting van de kat met de juiste voeding en medicijnen is!

Complicaties

De nieren en het hart zijn zeer sterk afhankelijk van elkaar. De nieren zijn namelijk verantwoordelijk voor het in stand houden van de bloeddruk. Wanneer dit, zoals bij CNI, faalt kan de bloeddruk bij de kat gaan stijgen. Deze hogere bloeddruk kan vervolgens leiden tot schade aan de hartkleppen. Met lekkende hartkleppen tot gevolg. We zien vrij regelmatig dat dieren met nierproblemen ook hartproblemen hebben of deze op den duur ontwikkelen. Gelukkig is de medicatie om het hart te ondersteunen, dezelfde medicatie als die gebruikt wordt om de nieren te ondersteunen!

FeLV (Leukemie virus)

FeLV staat voor Feline Leukemie Virus en kan zoals de naam al zegt aanleiding geven tot leukemie en andere tumorale processen maar het kan ook andere ziektebeelden veroorzaken. Het virus kan op verschillende manieren worden overgedragen zoals via, traanvocht, urine, ontlasting en melk. Maar meestal wordt het overgedragen door speeksel. Aangezien het virus niet lang in de buitenwereld kan overleven is er dus vrij nauw contact nodig tussen dieren om besmettingen over te dragen. Om deze reden worden infecties vaak gezien in ruimtes waar veel katten bij elkaar zitten (zoals asiels, pensions en cattery's), maar de meeste infecties treden op door vechtpartijen waarbij een besmette kat een andere kat bijt.

Het virus is vooral besmettelijk voor jonge dieren en voor dieren met een verminderde weerstand. Oudere maar gezonde katten kunnen wel met het virus besmet raken maar worden hier vaak niet ziek van. Ongeveer vier procent van de Nederlandse huiskatten is drager van het FeLV virus en in zwerfkatten populaties is dit ongeveer 15%. Deze percentages zijn de laatste jaren sterk aan het stijgen.

Symptomen

Er zijn eigenlijk geen typische symptomen die wijzen op FeLV besmettingen want bij iedere besmette kat kunnen andere symptomen worden waargenomen. De volgende klachten kunnen door FeLV worden veroorzaakt:

  • Tumoren: als er tumoren ontstaan door het virus zijn dit meestal lymfoma's (tumoren van afweercellen) en in 50% van de gevallen zal deze tumorsoort zich in het maagdarmstelsel ontwikkelen. Daarnaast kan het virus, zoals de naam al zegt, leiden tot leukemie (kanker van het beenmerg). De symptomen zijn afhankelijk van de plaats waar de tumoren ontwikkelen en zijn vaak weinig specifiek: slecht eten, blekere slijmvliezen, iets verhoogde lichaamstemperatuur en bloedarmoede. De tijd tussen de besmetting en het ontstaan van klachten door de tumoren kan enkele maanden tot jaren zijn.
  • Afbraak van bloedcellen: het virus kan er toe leiden dat de rode en/of witte bloedcellen en/of bloedplaatjes kapot worden gemaakt. Hierdoor worden de dieren vatbaarder voor andere infecties, kunnen ze stollingsproblemen krijgen en/of ernstige bloedarmoede gaan ontwikkelen.
  • Immunosupressie: dit is een onderdrukking van het afweersysteem van het dier. Hierdoor kan het lichaam andere ziekteverwekkers niet meer aanvallen en zal het dier van de meest simpele ziekteverwekker al ernstig ziek worden. De symptomen zijn ook hier weer afhankelijk van welke ziekteverwekker de problemen veroorzaakt.
  • Vruchtbaarheidsproblemen: zwangere poezen die met FeLV besmet raken kunnen hierdoor aborteren en als de kittens wel geboren worden overlijden deze vaak vlak na de geboorte. Het FeLV virus is de meest voorkomende oorzaak van onvruchtbaarheid bij de kat.
  • Diarree: het virus kan een chronische darmonsteking veroorzaken met diarree als gevolg.

Diagnose

Omdat het virus zeer sterk uiteenlopende klachten kan veroorzaken en er geen klachten zijn die specifiek op FeLV wijzen, is een diagnose erg lastig. In veel gevallen wordt er niet direct aan FeLV gedacht en pas wanneer andere therapiën falen wordt er meestal pas verder onderzoek verricht. Inmiddels is het namelijk mogelijk om via een bloedonderzoek na te gaan of er antistoffen tegen FeLV in het bloed aanwezig zijn. 

Behandling

Er bestaat geen behandeling voor FeLV en katten die ziek worden door dit virus zullen in alle gevallen overlijden.

Voorkomen

Zoals eerder gezegd wordt de ziekte vooral overgedragen door bijtwondes en/of vechtpartijen. Aangezien het meestal ongecastreerde katers zijn die veel vechten, kunt u de kans op besmetting van uw kat verkleinen door uw kater te laten castreren. Tot op heden is dit het enige wat u kunt doen, want er bestaan nog geen vaccins die goede bescherming geven.

FIP

FIP is een ernstige ziekte die veroorzaakt wordt door een virus, het feline coronavirus. Het virus leidt tot een ernstige buikvliesontsteking en tast hierbij alle organen aan. Het is een van de belangrijkste virusinfecties bij katten omdat er geen behandeling voor de ziekte is en de aandoening daardoor in alle gevallen een dodelijke afloop kent. Het aantal gevallen van FIP is de laatste jaren sterk toegenomen.

Er zijn verschillende stammen van het feline coronavirus en zo'n 80% van de katten is ooit in aanraking is geweest met de milde stam die enkel diarreeproblemen veroorzaakt bij jonge dieren. Besmetting gebeurt doordat geïnfecteerde dieren het virus uitscheiden in hun ontlasting en andere katten het virus vervolgens inademen of opeten (bijvoorbeeld als de kattenbak te dicht bij het voedsel staat). Het probleem van deze milde stam is dat deze gemakkelijk kan muteren tot de gevaarlijke FIP-stam. Waarom deze mutatie bij de ene kat wel optreedt en bij de andere niet is tot op heden onbekend. Daarnaast kan een kat ook besmet raken met de gevaarlijke FIP-stam, het zal dan van de weerstand van de kat op dat moment afhangen op deze ziek wordt of niet.

De ziekte veroorzaakt vooral problemen bij katten op een leeftijd tussen een en twee jaar, maar ook bij oudere katten die een verminderde weerstand hebben kan FIP voorkomen.

Symptomen

FIP komt in twee vormen voor: een "droge" vorm en een "natte" vorm. In beide gevallen beginnen de problemen met vage klachten: de kat krijgt een slechtere eetlust, kan koorts krijgen, valt af en krijgt diarree. Afhankelijk van de vorm duurt het dan enkele dagen (nat) tot enkele maanden (droog) voor de rest van de symptomen ontwikkelen:

Bij de natte vorm ontstaat er een buikvliesontsteking en/of borstvliesontsteking waarbij veel vocht in de borst/buikholte gaat ophopen doordat de bloedvaten in het buik/borstvlies ontsteken en beschadigd raken. Deze ontstekingen breiden zich snel uit naar vooral de lever, nieren en longen waardoor deze uitvallen. De kat krijgt binnen enkele dagen een dikkere buik en wordt steeds benauwder. Het dier overlijdt doorgaans binnen een week na het begin van de klachten.

Bij de droge vorm gaat het virus in de organen zitten en veroorzaakt daar ontstekingsreacties. Meestal gaat het virus in de hersenen zitten, waardoor er een hersenvliesontsteking ontstaat en het dier neurologische klachten krijgt. Later vallen ook de andere organen uit en overlijdt het dier. Bij deze vorm van FIP kunnen er enkele maanden zitten tussen het zien van de eerste klachten en het overlijden.

Diagnose

Er is maar één manier om met 100% zekerheid de diagnose FIP te kunnen stellen en dat is lijkschouwing. Wanneer de kat ziek wordt aangeboden bij de dierenarts kan er dus nooit met 100% zekerheid worden gezegd of de kat aan FIP leidt. De diagnose berust op een combinatie van symptomen, bevindingen tijdens het lichamelijk onderzoek, beoordeling van het vocht in de buik bij de natte vorm (bij FIP heeft dit vocht namelijk typische eigenschappen) en door middel van een bloedonderzoek. Er is een SNAP-test beschikbaar voor FIP waarbij wordt getest of er antistoffen aanwezig zijn tegen het coronavirus. Het nadeel van deze test is dat ook katten die ooit besmet zijn geraakt met de milde stam van het coronavirus, positief zullen testen. De uitslag van de test is dan ook niet bindend, maar moet altijd worden beoordeeld in combinatie met de klachten en symptomen.

Behandeling

Er is geen behandeling mogelijk. 100% van de katten met FIP overlijdt. Helaas is er tot op heden onvoldoende bekend over hoe het virus te werk gaat, waardoor er nog geen vaccinatie of medicatie tegen het virus beschikbaar is.

FIV (kattenaids)

FIV staat voor het Feline Immunodeficiëntie Virus en is het zusje van HIV bij de mens. Het veroorzaakt, net als bij HIV bij de mens, aids. Gelukkig is het HIV niet besmettelijk voor katten en het FIV niet besmettelijk voor mensen. Het FIV is een relatief nieuw virus, het is namelijk pas in 1986 ontdekt in Californië en komt inmiddels overal ter wereld voor. Het virus wordt, net als bij de mens, overgedragen door rechstreeks contact van lichaamsvloeistoffen. Zo kan de overgedracht gebeuren tijdens het paren, maar meestal gebeurt het tijdens vechtpartijen tussen katten waarbij speeksel en bloed van het ene dier in aanraking komen met dat van het andere dier. Wanneer een dier eenmaal geïnfecteerd is zal deze kat levenslang het virus bij zich dragen en dus ook een besmettingsbron vormen voor andere katten. Aangezien het met name de ongecastreerde katers zijn die veel vechten komt het virus vier keer vaker voor bij katers dan bij poezen.

Symptomen

Aangezien het lang duurt voor het FIV overgaat in de ziekteverschijnselen van aids, zien we vooral klachten bij dieren ouder dan zes jaar. De ziekte verloopt in vijf stadia, ieder stadium gaat gepaard met andere klachten.

  1. Het acute stadium. Dit geeft vage klachten van koorts, lymfeklierzwelling en depressie. Deze periode is niet altijd duidelijk zichtbaar en wordt vaak niet opgemerkt door eigenaren
  2. Symptoomloze drager. Tijdens dit stadium is er niks te merken aan de katten, ze lijken volledig gezond.
  3. Het stadium waarin lymfeklierzwelling gepaard gaande met koorts, lusteloosheid, anorexie, gewichtsverlies en gedragsveranderingen optreedt. 
  4. Het aids-verwant complex. Dit stadium volgt enkele maanden tot soms een paar jaar na het derde stadium. De afweer van de kat gaat achteruit en secundaire (bacteriele) infecties krijgen hun kans. De klachten zijn dan afhankelijk van welke infectie de kat krijgt.
  5. De aids-fase. Dit stadium volgt enkele maanden tot soms een paar jaar na het vierde stadium. De kat gaat sterk vermageren, het afweersysteem komt volledig stil te liggen en de kat krijgt nog meer secundaire infecties. Omdat het lichaam deze infecties niet meer aan kan worden de katten ernstig ziek en overlijden.

Diagnose

Omdat het soms langs duurt voor de klachten zich gaan ontwikkelen en het vaak vage klachten zijn, is de diagnose niet altijd gemakkelijk. Vaak wordt pas in hetvierde of vijfde stadium aan FIV gedacht. De diagnose wordt vervolgens gesteld door een bloedonderzoek (SNAP test) waarbij antistoffen tegen FIV in het bloed kunnen worden aangetoond. 

Behandeling

Er bestaat er nog geen behandeling tegen FIV. Het enige wat men kan doen is het onderdrukken van de secundaire infecties met antibiotica.

Voorkomen

Zoals eerder vermeld wordt het virus overgedragen door vechten en paren, door uw katten te laten castreren en steriliseren verdwijnt de vechtlust en paringsdrang waardoor de kans op overdracht van de ziekte sterk verkleind wordt. Tot op heden bestaat er helaas nog geen vaccin tegen FIV.

Hondsdolheid

Hondsdolheid, oftewel rabiës, is een virale ziekte die bij alle zoogdieren (dus ook de mens!) kan voorkomen en die acute zenuwstoornissen en gedragsveranderingen veroorzaakt en uiteindelijk in alle gevallen een fatale afloop kent. Het virus wordt overgedragen via bijtwonden (speeksel). Wanneer een dier of mens besmet wordt met het virus verandert het gedrag: het dier of mens wordt geëxicteerd en agressief waardoor ze ieder ander zoogdier in de directe omgeving willen bijten. Met name onder vossenpopulaties komt in heel de wereld nog hondsdolheid voor. Juist deze dieren vormen dan ook een risico voor besmetting van andere diersoorten. Gelukkig leidt niet iedere beet van een dier met het virus tot ziekte bij het gebeten dier: slechts in 25% van de gevallen vind er besmetting plaats. Veel mensen denken dat hondsdolheid in Europa niet meer voorkomt, maar niets is minder waar. Zo is er in februari 2013 nog een geval in Amsterdam geweest en in de zomer van 2013 een uitbraak in Noord-Spanje. Daarmee is rabiës dus nog altijd een actuele ziekte!

Symptomen

De tijd tussen besmetting en de eerste symptomen is bij de kat 20 tot 30 dagen. De ziekte kent twee mogelijke uitingsvormen:

  • Razende dolheid: in het eerste stadium worden gedragsveranderingen opgemerkt. Een normaal levendig dier wordt stil en depressief terwijl een dier wat normaal erg rustig is juist erg onrustig wordt en veel gaat krabben. Vervolgens raakt het dier geïrriteerd en zal snel geëxciteerd worden. Het dier wordt onrustig, gaat happen in de lucht en is gevoelig voor licht en geluid. Daarnaast zal het sneller vreemden bijten en later ook vrienden. Het dier laat zijn normale eten staan en gaat allerlei vreemde zaken opeten. In het laatste stadium raakt het dier geleidelijk aan verlamd en sterft. 
  • Stille dolheid: de symptomen zijn minder duidelijk. Het dier kwijlt veel en wordt hees. Soms zijn er korte perioden van agressiviteit maar meestal raakt het dier alleen maar geleidelijk aan verlamd en sterft. 

Diagnose

Wanneer er aan hondsdolheid wordt gedacht, kan de diagnose worden bevestigd via een bloedonderzoek.

Behandeling

Bij de diagnose hondsdolheid is geen behandeling mogelijk. Dieren met rabiës moeten verplicht worden geëuthanaseerd. De dierenarts is tevens verplicht om rabiëspatienten te melden bij de overheid.

Voorkomen

U kunt uw kat beschermen tegen hondsdolheid door hem of haar te laten vaccineren. Deze vaccinatie is verplicht wanneer u met uw huisdier de grens overgaat, dit geldt dus ook voor Duitsland en België. Wanneer u reist binnen Europa dient het huisdier gechipt te zijn, een Europees paspoort te hebben en minimaal 21 dagen voor vertrek te zijn gevaccineerd tegen hondsdolheid. Wanneer u zich niet aan de wet houdt en met ongevaccineerde dieren reist, kunnen de dieren in beslag worden genomen en zelfs ter plekke worden geëuthanaseerd! 

Hyperthyroïdie

De schildklier is een hormoonproducerende klier die bij de kat gelegen is in de hals. De klier bestaat uit twee delen, ieder aan één kant van de luchtpijp. De schildklier produceert twee hormonen, afgekort als T3 en T4. Deze hormonen spelen een belangrijke rol bij de stofwisseling van eiwitten, vetten en koolhydraten. Daarnaast zijn ze betrokken bij de regulering van lichaamstemperatuur en ademhaling.

De aandoening waarbij er teveel schildklierhormonen worden geproduceerd noemen we hyperthyroïdie (ook wel hyperT4). De oorzaak hiervan is een (meestal) goedaardige tumor van de schildklier.

HyperT4 is een aandoening die we steeds vaker zien bij oudere katten. Volgens recent onderzoek krijgt op dit moment zo’n tien procent van de oudere katten (ouder dan acht jaar) ooit te maken met hyperT4. En dit percentage stijgt al enkele jaren explosief.

Symptomen

Iedere kat is anders en ook iedere kat zal daarom anders reageren op een verhoogd gehalte van schildklierhormoon (T4). Het aantal symptomen dat we zien bij een dier met deze ziekte kan dus sterk verschillen tussen de afzonderlijke dieren.

Symptomen die vaak worden gezien zijn:

  • Toegenomen eetlust terwijl de kat vermagert
  • Meer drinken (en als gevolg meer plassen)
  • Rusteloosheid, sneller geïrriteerd
  • Diarree en/of braken
  • Slechter onderhouden van de vacht 
  • Hogere hartslag

Diagnose

In 90% van de gevallen kan de vergrote schildklier door de dierenarts op het lichamelijk onderzoek worden gevoeld. Op basis van de hoe groot de schildklier is, is echter niet te zeggen hoeveel T4 er teveel wordt geproduceerd.

Op basis van de symptomen en het lichamelijk onderzoek kan er dus een zeer sterk vermoeden van hyperthyroïdie ontstaan, maar voor bevestiging is een bloedonderzoek noodzakelijk.

Behandeling

Wanneer u het vermoeden heeft dat uw dier aan de hier genoemde aandoening lijdt, gaat u dan met uw dier naar de dierenarts. Deze zal uw dier onderzoeken, de (juiste) diagnose stellen en in overleg met u de beste behandeling bepalen.

Prognose

Als het schildklierprobleem wordt veroorzaakt door een goedaardige tumor, dan is het probleem met behandeling vaak volledig onder controle te krijgen. Hierdoor heeft een kat met hyperT4 met behandeling dezelfde levensverwachting als een kat zonder hyperT4.

Kattenziekte

Kattenziekte is een ernstige, zeer besmettelijke virusziekte. De ziekte treft voornamelijk jonge katten, maar bij een uitbraak van kattenziekte worden ook onvolledig gevaccineerde volwassen katten ziek. Het wordt veroorzaakt door het feline panleukopenie virus, een virus dat nauw verwant is aan het parvovirus bij honden. Het nestelt zich, net als bij de hond, voornamelijk in de snel delende cellen van de darmen en het beenmerg.
Besmetting verloopt via direct contact met besmette katten maar ook via indirect contact zoals via de schoenen, kleding of handen van de mens. De ziekte komt vaker voor dan dat men denkt. Zo is er in september 2013 nog een grote uitbraak geweest in Noord-Holland waar meer dan 100 katten zijn overleden!

Symptomen

Ongeveer vijf dagen na de besmetting worden de eerste klachten waargenomen: het dier krijgt koorts en wil hierdoor niet meer eten en drinken en wordt lusteloos. Vrij snel volgt dan waterdunne diarree (eventueel met bloed erbij) en heftig braken. Doordat de darmen ernstig aangetast raken kan het dier bijna geen vocht en voedingstoffen meer opnemen waardoor het snel uitdroogt. In 80% van de gevallen overlijdt het dier binnen enkele dagen na het begin van de klachten. Wanneer een drachtige kat besmet wordt, leidt dit vaak tot abortus. Kittens die toch geboren worden hebben vaak blijvende hersenschade.

Behandeling

De ziekte wordt veroorzaakt door een virus waartegen helaas geen medicatie beschikbaar is, waardoor behandelen niet mogelijk is. Enkel de symptomen kunnen bestreden worden: uitdroging wordt tegen gegaan met een infuus, koorts wordt tegengaan met koortsremmers en secundaire infecties worden tegen gegaan met antibiotica. In bijna alle gevallen (90-95%) overlijdt het dier toch, ondanks de symptoombestrijding.

Voorkomen

U kunt deze ziekte voorkomen door uw kat(ten) preventief te laten vaccineren. De vaccinatie tegen kattenziekte dient gegeven te worden op een leeftijd van negen weken, twaalf weken en een jaar. Vanaf dan moet de vaccinatie een keer per drie jaar herhaald worden. Wij raden iedereen aan om zijn/haar katten tegen deze ziekte te laten vaccineren, want als het dier eenmaal ziek wordt is genezing niet meer mogelijk.

Mammatumoren

Mammatumoren zijn tumoren (kanker) van de melkklieren. Deze tumorsoort is na huidtumoren de meest voorkomende tumorsoort bij de hond en de op twee na meest voorkomende tumorstoort bij de kat. Bij de hond gaat het in ongeveer 50% van de gevallen om een kwaadaardige tumor. Bij de kat gaat het in 90% van de gevallen op een kwaadaardige tumor.

Het probleem met kwaadaardige tumoren is dat deze erg snel groeien en makkelijk uitzaaien. Meestal zaait deze tumorsoort zich uit naar de longen en/of de lever. Omdat veel mensen te lang wachten met het naar de dierenarts gaan als er knobbels van de melkklieren worden gevoeld, zijn de kwaadaardige tumoren op het moment van het stellen van de diagnose vaak al uitgezaaid.

Symptomen

Het is aan de buitenkant nooit met zekerheid te zeggen of een melkkliertumor goed- of kwaadaardig is, ook al zijn er bepaalde tekenen die hierop kunnen wijzen. Goedaardige tumoren zitten meestal vrij los en groeien langzaam terwijl kwaardaardige vast zitten, snel groeien en vaak onregelmatig aanvoelen. Maar schijn kan hierin bedriegen. Wanneer u te lang wacht en een kwaadaardige tumor is al uitgezaaid kunt u secundaire klachten gaan zien door de uitzaaiingen. Indien de longen aangetast zijn zult u zien dat het dier steeds benauwder wordt en de conditie hard achteruit gaat. Als de lever aangetast is zal het dier algemeen ziek worden: slechter gaan eten, braken, diarree en geelzucht kunnen worden gezien. Daarnaast vreten tumoren erg veel energie waardoor het dier vaak snel gaat afvallen.

Diagnose

Op basis van de uiterlijke kenmerken van een tumor is een vermoeden uit te spreken of het om een goedaardige of kwaadaardige tumor gaat. Om dit te kunnen bevestigen, kunnen er met een naald een aantal cellen uit de tumor worden gehaald en in het laboratorium worden beoordeeld. Wanneer de diagnose "kwaadaardig" wordt gesteld is het belangrijk eerst na te gaan of er uitzaaiingen zijn door foto's te maken van de longen en buik, voordat er tot behandeling over wordt gegaan. Als het goedaardig is zal er altijd worden geadviseerd om de tumor te verwijderen, omdat grote goedaardige tumoren het dier kunnen gaan belemmeren in het dagelijks leven en omdat goedaardige tumoren op den duur ook kwaadaardige kunnen worden.

Behandeling

Indien de tumor goedaardig is, is het advies operatief verwijderen. Indien de tumor kwaadaardig is en niet uitgezaaid, is het advies zo snel mogelijk operatief verwijderen. Indien de tumor kwaadaardig is en wel uitgezaaid, dan is helaas geen behandeling meer mogelijk.

Prognose

De te verwachten overlevensduur bij een goedaardige tumor die volledig verwijderd is, is meer dan twee jaar.
De te verwachten overlevensduur bij een kwaadaardige, reeds uitgezaaide tumor is vier tot acht maanden. 

Niesziekte

Niesziekte is een aandoening waarbij er een ontsteking van de voorste luchtwegen optreedt. Verschillende virussen en bacteriën spelen hierbij een rol. Daarnaast zijn huisvesting, klimaat en verzorging van belang bij het ontstaan van niesziekte. Omdat er meerdere verwekkers en factoren zijn bij het ontstaan van de ziekte, wordt er vaak gesproken van het niesziekte complex.

Overdracht van de virussen en bacteriën gebeurt via de lucht: een kat niest snotdruppels met virussen hierin uit, waarna het via de lucht wordt verspreid en door andere katten wordt ingeademd. Zoals gezegd zijn er verschillende virussen en bacteriën die een rol spelen bij het ontstaan van niesziekte. Het virus zal ergere klachten geven als de andere.

Een van de meest voorkomende verwekkers is het herpesvirus. Wanneer een kat eenmaal besmet is met dit virus zal het dier dit virus de rest van zijn/haar leven bij zich dragen (vergelijkbaar met een koortslip bij de mens, ook dit wordt veroorzaakt door een herpesvirus). Wanneer de kat een periode van stress of andere ziekte doormaakt waardoor de weerstand daalt, kan het herpesvirus opnieuw voor problemen gaan zorgen. We spreken dan van chronische niesziekte.

Vaak is het zo dat het virus een milde verkoudheid veroorzaakt, maar doordat het virus de keel beschadigt kunnen bacteriën een secundaire infectie veroorzaken. We noemen dit ook wel een superinfectie en het is de bacterie die uiteindelijk het typische beeld van een snotterende, niezende kat met ontstoken ogen veroorzaakt. Het is ook deze bacterië (Bordetella bronchiseptica) die met anbitiocum te behandelen is.

Symptomen

Bij milde gevallen, veroorzaakt door weinig schadelijke virussen, wordt er vaak enkel wat hoesten met waterige neus-en ooguitvloeiing gezien. In andere gevallen, veroorzaakt door ergere virussen, kunnen meer klachten worden gezien. Zo veroorzaakt het calicivirus blaasjes op de tong en het gehemelte, vergelijkbaar met mond-en klauwzeer bij vee. Deze blaasjes zijn erg pijnlijk en zorgt ervoor dat het dier stopt met eten en drinken. Als er niet snel genoeg wordt ingegrepen kan het dier hierdoor binnen enkele dagen overlijden. Daarnaast kan het calicivirus een ernstige ontsteking van de ogen veroorzaken, waardoor het dier blind kan worden. In sommige gevallen moet zelfs het oog operatief verwijderd worden. Een ander virus, het herpesvirus, veroorzaakt chronische niesziekte. Wanneer een niesziekte wordt verwaarloosd of het dier niet snel genoeg adequate zorg krijgt, kan de niesziekte zich uitbreiden naar de longen en bronchitis en/of longontsteking veroorzaken.

Behandeling

Besmettingen met het herpesvirus zijn chronisch en dus niet behandelbaar. Besmettingen met het calicivirus zijn niet behandelbaar, enkel de symptomen kunnen bestreden worden. Bacteriële infecties zijn te bestrijden met antibioticum. Wanneer u het vermoeden heeft dat uw dier aan de hier genoemde aandoening lijdt, gaat u dan met uw dier naar de dierenarts. Deze zal uw dier onderzoeken, de diagnose stellen en in overleg met u de beste behandeling bepalen. 

Voorkomen

Tegen de ergste varianten van niesziekte, het herpesvirus en het calicivirus kan gevaccineeerd worden. Omdat beide virussen veel voorkomen, er na een besmetting geen behandeling is en omdat ze tot blijvende klachten of zelfs sterfte kunnen leiden, adviseren wij om uw katten te laten vaccineren tegen deze virussen! Deze vaccinatie wil dus niet zeggen dat uw dier nooit niesziekte kan krijgen, want tegen de mildere varianten is geen vaccinatie mogelijk. Tegen niesziekte dient te worden gevaccineerd op de leeftijd van negen weken, twaalf weken en een jaar en dient vanaf dan een keer per jaar herhaald te worden.

Ontwormen

Een huisdier is een liefdevol lid van het gezin. Maar wist u dat huisdieren ook infecties kunnen overbrengen op mensen? Kinderen, ouderen en mensen met een verzwakt immuunsysteem lopen het meeste risico. Een van de infecties die door dieren kunnen worden overgedragen op mensen zijn wormbesmettingen. Niet alleen voor de mens vormen deze wormen een risico, ook bij uw huisdier kunnen spoelwormen, lintwormen en haakwormen grote problemen veroorzaken. En dit geldt ook voor dieren die niet buiten komen. De wormen worden namelijk niet alleen overgedragen door vlooien en muizen maar kunnen ook via schoenzolen en kleding uw huis worden binnengebracht. Omdat u van buitenaf niet kunt zien of uw huisdier met wormen besmet is, wordt er aangeraden om uw huisdier minimaal vier keer per jaar te ontwormen.

Risico's bij huisdieren

  • Een huisdier kan er aan de buitenkant gezond uitzien, maar toch met een wormbesmetting rondlopen.
  • Veel symptomen blijven onzichtbaar, tot het moment dat het lichamelijke ongemak te heftig wordt.
  • Preventie is beter dan genezen.
  • Wormbesmettingen kunnen leiden tot overgeven, diarree, gewichtsverlies en lusteloosheid bij uw huisdier.
  • Wormen zijn veel voorkomend en uw dier kan ze dan ook overal oplopen: van bossen en parken tot uw eigen tuin.
  • Daarnaast kunnen wormen worden overgedragen door vlooien of door het opeten van kleine knaagdieren zoals muizen.

Risico's bij mensen

  • Met name kinderen lopen risico's op worminfecties wanneer ze in parken of zandbakken spelen en daarna hun vingers in hun mond stoppen. 
  • Bij mensen kunnen klachten ontstaan zoals verminderde eetlust, koorts, longontsteking en zelfs slaap-en gedragsstoornissen.
  • Daarnaast kunnen er ernstige ziekten ontstaan zoals blindheid door spoelwormen of levercysten door lintwormen. 
  • Tot slot is uit onderzoek gebleken dat allergische symptomen bij kinderen met aanleg tot astma versterkt worden door een spoelworminfectie.

Ontvlooien

Vlooienproblemen

Een paar vlooien kunnen al snel uitgroeien tot een vlooienplaag voor uw kat en ook voor u. Aan een dier met slechts een enkele vlo merkt u niets. Pas wanneer het dier meer dan tien vlooien bij zich draagt, heeft het constant jeuk. Dat kan leiden tot haarverlies door het krabben. Sommige dieren zijn zelfs allergisch voor vlooienbeten en dan kan een vlooienbeet al voldoende zijn om een heftige allergische reactie te veroorzaken. Daarnaast kunnen vlooien uw huisdier ook besmetten met lintwormen.

Er zijn maar een paar vlooien nodig om uw hele huis te besmetten. Vrouwelijke vlooien leggen eitjes, tot wel 50 per dag per vlo! Deze eitjes vallen van het dier af in de omgeving waar ze uitkomen tot larven die weer verpoppen tot nieuwe vlooien. Deze eitjes, larven en poppen komen overal terecht waar het dier ook komt: in het tapijt, tussen vloerplanken, stoffen bank/stoel, mandje van het dier etc. Naast het behandelen van uw huisdier en zijn/haar omgeving is grondig stofzuigen en wassen erg belangrijk bij een vlooienplaag.

Voorkomen is beter dan genezen!

Zoals u ziet kan een enkele vlo in korte tijd voor grote problemen voor het dier en zijn omgeving zorgen. Daarom raden wij aan om uw huisdier preventief te behandelen tegen vlooien, zodat u deze problemen voorkomt.

Wanneer u uw huisdier ontvlooit, doe het dan grondig. Gebruik goede producten (haal ze bij een dierenarts, in de dierenwinkels liggen producten die niet goed werken) en doe het vaak genoeg (alle pipetten die werken, werken maximaal vier weken). Behandel ook alle dieren in huis tegelijk. Heeft uw dier een vlooienbesmetting? Neem dan contact op met de kliniek zodat we samen een behandelplan kunnen maken. 

Sterilisatie poes

Er wordt door dierenartsen vaak aangeraden om uw kat te laten steriliseren. Dit heeft meerdere redenen.

  • Medische redenen: vroegtijdige sterilisatie, voor de eerste krolsheid, verkleint de kans op het ontstaan van melkkliertumoren op latere leeftijd. Deze melkkliertumoren zijn bij de kat vrijwel altijd kwaadaardig. Daarnaast kan een gesteriliseerde kat geen baarmoederontstekingen of andere tumoren meer krijgen.
  • Gedragsmatige redenen: poezen die erg dominant zijn kunnen soms in huis gaan sproeien. Als de katten dit gedrag eenmaal kennen is sterilisatie niet meer altijd de oplossing. Daarnaast  kunt u als eigenaar soms gek worden van het krolse gedrag van een poes!
  • Maatschappelijke redenen: er zijn al meer dan genoeg katten en de asielen puilen uit, door uw poes te laten steriliseren kunt u bijdragen aan het terugdringen van het zwerfkatten probleem!

Wanneer steriliseren?

Katten worden gemiddeld gezien op zeven maanden leeftijd seksueel actief, daarom raden wij aan om ze op zes maanden leeftijd te steriliseren. Wanneer uw kat toch eerder dan op zes maanden leeftijd actief wordt, raden wij aan om de kat eerder te steriliseren. Dit om zowel op medisch als gedragsmatig gebied het maximale effect te behalen.

Hoe gaat het in zijn werk?

  1. U maakt telefonisch een afspraak waarna u een informatiebrief en vragenlijst (over de gezondheidstoestand van de kat) thuisgestuurd krijgt.
  2. U brengt de kat (nuchter) tussen 8.30 en 9.30 uur op de dag van de afspraak. De assistente neemt hierbij de door u ingevulde vragenlijst met u door.
  3. De assistente weegt in uw bijzijn de kat en geeft deze haar injecties pijnstilling en antibioticum.
  4. Na ongeveer een uur werkt de pijnstilling maximaal en wordt de poes door de dierenarts lichamelijk onderzocht.
  5. Als er bij het lichamelijk onderzoek geen afwijkingen worden gevonden, wordt de poes in een roesje gebracht om vervolgens geïntubeerd te worden. Tijdens de operatie ligt de poes aan de gasnarcose en zuurstof.
  6. De buik wordt geschoren, gewassen en steriel afgedekt.
  7. Via een kleine snede in de buik worden de eierstokken afgebonden en verwijderd. Vervolgens wordt de wond weer dichtgehecht waarbij de hechtingen onderhuids worden weggewerkt.
  8. De kat wordt in een verwarmd hokje gelegd waar zij weer wakker kan worden. 's Middags tussen 16.00 en 17.30 uur kunt u de kat dan weer ophalen waarbij u pijnstilling meekrijgt voor de eerste dagen na de operatie.
  9. Indien u dit wenst kunt u binnen een week nog langskomen voor een gratis wondcontrole.

Wordt een poes dik door de sterilisatie?

Wanneer u direct na de sterilisatie de voeding aanpast op de nieuwe situatie, wordt een poes niet dikker. Na de sterilisatie stijgt de eetlust van het dier, terwijl de energiebehoefte afneemt. Blijft u als eigenaar na de sterilisatie hetzelfde voedsel in dezelfde hoeveelheid geven? Dan zal de poes inderdaad gaan aankomen. Het is dus zaak om na de sterilisatie ongeveer 25% minder eten te gaan geven of om over te schakelen op light-voeding, speciaal voor gesteriliseerde dieren.

Teken bestrijding

Teken zuigen bloed bij zoogdieren, mensen en vogels. Deze beten kunnen ontstekingen en abcessen veroorzaken. Daarnaast zijn teken overbrengers van een aantal gevaarlijke ziekten. De laatste jaren is er een duidelijke toename van het aantal teken en door teken overgebrachte ziekten bij mens en dier.

Op het kaartje van Nederland ziet u dat in Noord-Drenthe en Zuid-Groningen een zeer grote concentratie teken voorkomt (rood) en in de rest van Groningen een grote concentratie teken (oranje). Dit kaartje is uit 2011. Op de kaart van 2000 was vrijwel heel nederland nog lichtgroen (geen teken) tot geel (geringe concentratie teken). Bepaalde ziekten die door teken worden overgedragen kwamen eerst alleen in warme landen voor, maar we zien deze inmiddels ook in toenemende mate bij dieren in Nederland. De meest bekende ziekte die wordt overgedragen door teken is de ziekte van Lyme, ook honden kunnen deze ziekte krijgen en het aantal gevallen van deze ziekte is de laatste tien jaar explosief toegenomen!

Teken leven niet alleen in het bos, de duinen of de hei. Teken worden door hun gastheren gemakkelijk getransporteerd naar dicht bewoonde gebieden. Na het voeden (bloedzuigen) vallen de teken van de gastheer af en starten vrouwelijke teken met het leggen van 3000-6000 eieren. Zo kunnen nieuwe tekenpopulaties ontstaan in uw tuin of buurtpark.

Bestrijden

Omdat teken ziekten overbrengen die zowel voor mens als dier besmettelijk zijn, is het aan te raden om uw huisdier goed te behandelen tegen teken. Dit is mogelijk door het gebruik van een halsband die vlooien en teken afweert.

Daarnaast is het aan te raden om uw huisdier dagelijks goed te controleren op de aanwezigheid van teken en indien aanwezig deze zo snel mogelijk te verwijderen. Gebruik om teken te verwijderen altijd een tekentang! Door verwijdering met pincet of handen kunt u de teek namelijk kapot knijpen waardoor in één keer alle gifstoffen in de huid van het dier komen en deze kunnen dan heftige ontstekingsreacties veroorzaken.

Vaccinatie

Bij het vaccineren van een huisdier wordt eigenlijk een ziekteproces nagebootst. Het effect van een vaccinatie is dan ook hetzelfde als van een ziekte. Wanneer een dier besmet raakt met een bepaalde infectie gaat het lichaam antistoffen aanmaken om deze ziekte te bestrijden. Deze antistoffen blijven een tijdje aanwezig in het lichaam waardoor het lichaam snel in actie kan komen wanneer dezelfde ziekteverwekker opnieuw in het dier binnendringt. Het probleem is dat sommige ziekteverwekkers altijd tot blijvende problemen of de dood lijden. Om er toch voor te zorgen dat het lichaam antistoffen aanmaakt wordt er gevaccineerd tegen deze ziektes. Bij een vaccinatie worden er verzwakte ziektekiemen ingespoten. Deze ziektekiemen zijn te zwak om ziekte te veroorzaken maar het lichaam reageert er wel op door antistoffen aan te maken. Wanneer het lichaam dan in de buitenwereld in aanraking komt met deze ziekteverwekker, zullen de antistoffen in actie komen. Hierdoor is uw huisdier toch beschermd tegen deze vervelende ziekten. Net als na een ziekte blijven de antistoffen ook na vaccinatie niet altijd maar aanwezig. Het aantal antistoffen neemt geleidelijk af en daarom is het nodig om de vaccinaties regelmagtig te herhalen, zodat uw dier toch goed beschermd blijft. Er zitten verschillen in de afweeropbouw van mens en dier en er zijn verschillen tussen de diverse ziekteverwekkers. Hierdoor kan het zijn dat de vaccinatie tegen het ene virus een langere bescherming geeft en dus minder vaak herhaald hoeft te worden dan tegen het andere virus.

Moet een binnenkat ook worden gevaccineerd?

Juist binnenkatten zouden goed gevaccineerd moeten worden. Nu is er geen enkele vaccinatie bij katten verplicht (zolang ze in eigen land blijven), maar als dierenarts raden we wel aan om alle katten te laten vaccineren. De kans dat een binnenkat ziek wordt is dan minder groot dan bij buitenkatten, omdat er geen rechtstreeks contact met andere dieren is. Toch wil dat niets zeggen. U kunt ziekteverwekkers aan uw schoenen, kleding en handen mee naar binnen nemen. Daarnaast verspreiden een aantal ziekteverwekkers zich ook via de lucht naar binnen. Verder is het zo dat áls een niet-gevaccineerde binnenkat ergens mee besmet raakt, zij vaak sneller erger ziek worden dan buitenkatten. Dit komt doordat deze dieren weinig natuurlijke weerstand hebben (ze komen amper in aanraking met ziekteverwekkers, waardoor het lichaam hier geen weerstand tegen opbouwt) én ze hebben geen kunstmatige weerstand (door de vaccinaties). Daar komt nog bij dat als het dier eenmaal een van de ziekten krijgt waartegen gevaccineerd kan worden, er geen behandeling meer mogelijk is!

Tegen welke ziekten vaccineren?

  • Niesziekte (calicivirus & herpesvirus)
  • Kattenziekte (parvovirus)
  • Hondsdolheid

Hoe vaak vaccineren?

  • Negen weken leeftijd: kattenziekte en niesziekte
  • Twaalf weken leeftijd: kattenziekte en niesziekte
  • Eenjarige leeftijd: kattenziekte en niesziekte.
  • Vanaf dan: niesziekte jaarlijks en kattenziekte een keer per drie jaar.
  • Hondsdolheid: verplicht wanneer u met het dier naar het buitenland gaat. Het dier moet minimaal drie maanden oud zijn op het moment van de eerste vaccinatie en deze is dan drie jaar geldig. Let op: deze vaccinatie moet (indien u reist binnen Europa) minimaal 21 dagen voor vertrek gegeven worden!

Vlooienallergie

Vlooien spelen een belangrijke rol bij veel huidklachten. Vlooien kunnen de directe veroorzakers zijn van huidproblemen of als complicerende factor optreden bij huidklachten. Wanneer uw kat allergisch is voor vlooien(beten) krijgt hij of zij extreme jeuk. Als reactie hierop gaat uw kat krabben, likken en bijten waardoor de huid beschadigd raakt. Hierdoor ontstaan ontstekingen, korsten en kale plekken. Op zijn beurt levert weer extra irritatie op voor het dier en zo belandt de hond in een vicieuze cirkel. Vlooien zijn klein en zeker bij dieren met een donkere vacht kunt u vlooien makkelijk over het hoofd zien. Daarnaast eten honden en katten tijdens het "wassen" zo'n 75% van de vlooien op.

Soorten vlooienallergie en symptomen

Een vlooienallergie kan in verschillende vormen voorkomen. Het ene dier is overgevoeliger dan het andere. Zo zijn er dieren bij die van één vlooienbeet extreme jeuk krijgen, maar er zijn ook dieren die onder de vlooien zitten en maar matige jeuk hebben. 

Dieren kunnen allergisch zijn voor:

  • De vlooien zelf: Hierbij kunnen wisselende hoeveelheden vlooien worden gevonden die jeuk veroorzaken bij het dier, met beschadigingen van de huid, korsten en kaalheid tot gevolg. De aanwezigheid van de vlooien is al voldoende.
  • Het vlooienspeeksel: Hierbij moeten de vlooien eerst bijten waarbij het speeksel in de bloedsomloop komt en een allergische reactie veroorzaakt. De aanwezigheid van vlooien alleen is dus niet voldoende. Eén vlooienbeet kan al voldoende zijn waardoor de diagnose lastiger is. Het dier kan onder de korsten en kale plekken zitten door een vlooienallergie zonder dat er vlooien worden gevonden.

Daarnaast wordt er onderscheid gemaakt in:

  • Primaire allergie: Hierbij zijn de vlooien(beten) zelf de veroorzaker van een allergische reactie. Er zijn vaak maar een paar vlooien op het dier te vinden, de vacht ziet er goed uit en er is hoofdzakelijk jeuk (en huidirritatie) op het einde van de rug/begin staart.
  • Secundaire allergie: Hierbij is het dier allergisch voor meerdere zaken en kan een vlooienallergie die over de andere allergie(ën) heen komt extra klachten veroorzaken. Hierbij zijn vaak maar een paar vlooien op het dier te vinden, is de vacht in slechte conditie en zijn de kale plekken, korsten en huidontstekingen over het hele lichaam te vinden.

Diagnose

Bij een primaire vlooienallergie is de diagnose doorgaans gemakkelijk te maken op basis van de locatie van de klachten en de aanwezigheid van vlooien en vlooienpoepjes. Met name bij secundaire allergieën kan de diagnose van een een vlooienallergie lastiger zijn. Het is namelijk moeilijk te zeggen welke klachten nu door welke allergie worden veroorzaakt. Daarnaast is het bestrijden van de vlooienallergie niet voldoende, ook de andere allergieën zullen moeten worden aangepakt. Om erachter te komen waar een dier allergisch voor is kan het nodig zijn om een allergietest uit te voeren. Hier zijn verschillende opties voor waar we hier niet verder op in zullen gaan.

Behandeling

Bescherm uw dier (preventief) tegen vlooien! Hierdoor kunt u veel problemen voorkomen, immers als de vlooien niet kunnen overleven op uw dier, kunnen ze ook geen problemen veroorzaken. Wij raden aan om gebruik te maken van pipetjes met ontvlooiing die u in de nek toedient. Alle producten die goed werken, werken maar vier weken. Het is dus zaak om uw dier strikt iedere vier weken te ontvlooien. Daarnaast raden wij aan om te kiezen voor goedwerkend product. In dierenwinkels vind u veel producten met allemaal dezelfde werkzame stof, namelijk Fipronil. Uit onderzoeken is gebleken dat deze stof in 20 tot 30% van de gevallen onvoldoende werkt omdat de vlooien resistent worden voor de stof. Bekende merken waar deze stof inzit zijn Frontline, Exil, Fiprocat en Fiprodog. Wij raden dan ook af om deze producten te gebruiken.  
Naast het behandelen van het dier is uiteraard ook belangrijk om de omgeving van het dier zo schoon mogelijk te houden en om eventuele andere allergieën aan te pakken.

Voedselallergie

Een voedselallergie kan plots op komen zetten, ook als een dier al jarenlang dezelfde voeding krijgt. We zien het probleem echter vooral bij jonge dieren jonger dan een jaar leeftijd. Oom Siamezen hebben een verhoogd risico op voedselallergie.

Wat is het?

Bij een voedselallergie reageert het afweersysteem van het lichaam te gevoelig op bepaalde bestanddelen van het voer. Hierdoor kunnen maag/darmklachten ontstaan zoals braken en diarree, maar in de meeste gevallen wordt er een heftige jeuk waargenomen. Meestel worden dieren allergisch voor eiwitten in de voeding. De belangrijkste eiwitbronnen die allergie kunnen veroorzaken zijn: rundvlees, zuivel en tarwe. Maar ook lamsvlees, kippenvlees, soja en ei staan er om bekend regelmatig voedselallergiën bij huisdieren te veroorzaken. 

Symptomen

Voedselallergie gaat vaak gepaard met een heftige jeuk waarbij anti-jeukinjecties vaak amper effect hebben. Doordat de dieren veel krabben, bijten en likken als reactie op de jeuk, creëren zij huidirritaties en kale plekken. Deze kaalheid en huidirritatie kan overal op het lichaam optreden, maar meestal zijn de buik en binnenkant van de poten aangetast. De binnenkant van de oren zijn vaak ook geïrriteerd, waardoor we vaak ook oorontstekingen als gevolg van de voedselallergie zien. 

Diagnose

Op basis van de symptomen kan er een vermoeden van voedselallergie ontstaan. Maar de bovenstaande symptomen kunnen we ook bij andere soorten allergieën zien. Er bestaat helaas geen simpele test om na te gaan tegen welke stof het dier allergisch is. Doorgaans wordt de diagnose gesteld met een speciale dieetvoeding. In zulke dieetvoeding zijn de eiwitten in dusdanig kleine stukjes geknipt dat het lichaam de eiwitten niet meer herkent en er dus niet meer allergisch op reageert. Wanneer het vermoeden van voedselallergie gerezen is, wordt het dier gedurende zes weken op dieetvoeding gezet. Zijn de klachten weg na deze zes weken? Dan is de diagnose voedselallergie gesteld.

Behandeling

Als de diagnose gesteld is kan de zoektocht worden gestart naar een voeding waarvoor uw kat niet allergisch is. Dit is vrijwel altijd een speciale dieetvoeding en in sommige gevallen doet het dier het alleen goed op een diagnostisch dieet (zoals bovenstaand vermeld). Een allergie kan niet "genezen" worden. Een dier met voedselallergie zal dus levenslang op speciale voeding moeten blijven staan. Daarnaast is het belangrijk om andere allergische reacties, zoals vlooienallergie, te voorkomen door dieren goed en regelmatig te ontvlooiien. 

Terug naar Medische informatie

Contactinformatie praktijk

Dierenkliniek Eikenlaan

Terug
  • Ma
    8:30 - 18:00 uur
  • Di
    8:30 - 18:00 uur
  • Wo
    8:30 - 18:00 uur
  • Do
    8:30 - 18:00 uur
  • Vrij
    8:30 - 18:00 uur
  • Za
    gesloten
  • Zo
    gesloten

Contactinformatie bij spoedgevallen

Bel a.u.b.:

050 - 577 48 05
Terug

Vind ons hier:

Elzenlaan 2-2 9741 NE Groningen
ontvang een routebeschrijving via Google Maps
Terug

Bel a.u.b. dit nummer bij spoedgevallen:

050 - 577 48 05